Als begrafenisondernemer klopt Stef Van Damme lange uren. Hij is veel op de baan: een lijk gaan halen, papierwerk in het gemeentehuis invullen en dan weer terug naar de zaak om dat lijk te wassen. Hem een dag volgen is even onmogelijk als een mug proberen vangen in je slaapkamer op een warme zomeravond.

In een uitvaartcentrum verwacht je een ongezellige en doodse sfeer. Maar al snel verwelkomt Pierre, de zaakvoerder en vader van Stef, zijn klanten met een brede glimlach. De versnelde harstlag en klamme handjes die je zou hebben, verdwijnen als sneeuw voor de zon wanneer Pierre de ideale gastheer speelt. ‘Moet je een koffietje hebben? Of een mandarijntje?’ Blijkbaar biedt niet alleen Sinterklaas mandarijnen aan, maar ook Pierre de begrafenisondernemer. ‘Stef zal wat later zijn, hij moest nog een lijk gaan ophalen.’ Als je even vergeten bent dat je bij begrafenisondernemers zit, is de realisatie nu onomkeerbaar. Realiteitscheck, check.

Terwijl er klanten, twee gespannen zussen, op Stef wachten komt Pierre nog eens vragen of ze nu zeker geen mandarijnen moeten hebben. ‘Het is wel de tijd van het jaar, hé.’ De mandarijn belandt al jonglerend in haar bezwete hand. ‘Nu zal de geur van de mandarijn mijn bezwete handen misschien maskeren’, zegt ze tegen haar zus. Terwijl ze subtiel haar handen aan haar broek afveegt, komt Stef de kamer binnen. Zo gehaast hij binnenkomt, zo snel verontschuldigt hij zich ook voor zijn vertraging.

‘Mijn werk is zoals doodgaan,
heel onverwacht en onvoorspelbaar’

Een dode op kerstavond
‘Ik was veertien jaar toen ik vastberaden zei dat ik begrafenisondernemer wou worden. Mijn vader was natuurlijk in de wolken.’ Niet meteen de droomjob van een puberende jongen. Maar voor Stef was het een logische keuze die hem misschien lichtjes werd opgedrongen. ‘Mijn grootvader startte met het Rouwcentrum Van Damme. Mijn vader volgde hem daarna op en nu zit ik ook al mee in de zaak. We nemen het principe van vader op zoon heel serieus. Doodserieus’, lacht Stef. ‘We zijn een échte begrafenisondernemersfamilie, want zelfs de vader van mijn nonkel en mijn nonkel zelf zijn ook begrafenisondernemers. Ik heb als klein kind dus nooit iets anders gekend.

Als ik later vader ben, zou ik graag hebben dat mijn kinderen het rouwcentrum overnemen. Zo is er opvolging en leeft de zaak van mijn grootvader voort. Hij heeft ze uit het niets uit de grond gestampt. Maar of ik ze hetzelfde leven wil geven? Dat weet ik niet. Mijn leven is heel onregelmatig. Ik ben het al gewend dat mensen mij wakker bellen om twee uur ’s nachts. Zelfs op kerstavond ben ik al een dode moeten gaan ophalen. Je moet altijd beschikbaar zijn. Ik werk standaard van maandag tot zaterdag en nog redelijk veel uren ook. En op zondag is het niet raar om een dringende oproep te krijgen. Mijn werk is zoals doodgaan, heel onverwacht en onvoorspelbaar.’

‘Hoe erg het ook klinkt: ik was echt aan
het wachten op een dode’

Begrafenis regelen zonder dode
‘Maandagochtend belden twee zussen me op. Meestal hoor ik aan de andere kant een paniekerige stem. Een stem die me vertelt dat er iemand gestorven is. Nu verliep het gesprek anders. De twee zussen hun moeder is heel ziek is en ’s avonds ging ze euthanasie plegen. Ik stelde voor dat ze misschien al eens konden langskomen. Dat lijkt misschien raar, maar de uitvaart van een geliefde al regelen voordat hij of zij gestorven is, is een privilege. Geloof me. Je kan alles nog met een fris hoofd beslissen in plaats van in een shocktoestand snelle besluiten te maken.’

Voor de twee zussen was het doodskaartje opstellen een geluk bij een ongeluk. Hun vader was een jaar geleden gestorven en ze konden alles daarvan nog gebruiken. Klein detail: de ene zus was wel even vergeten haar ondertussen ex-man te schrappen op de doodsbrief. Toen ze met Stef de brief overliep – om te kijken wat er moest aangepast worden – ging er al snel een streep door de ex-vrouw van haar broer. Maar haar eigen scheiding, daar keek ze over. Toen kon er even een lachje vanaf, ook al zaten ze met hun zieke moeder in hun gedachten.

Telefoontje van de dood
De dood. Stef staat ermee op en gaat ermee slapen. Maar op maandagavond kon hij niet gaan slapen, want hij moest wachten op een telefoontje van de twee zussen. Stef wist dat rond half negen de dood ging bellen, dan werd de euthanasie uitgevoerd door de dokter. ‘Die avond heb ik lang gewacht en hopend naar de telefoon gekeken. Hoe erg het ook klinkt: ik was echt aan het wachten op een dode. Dan kon ik mijn werk van die dag afmaken en eindelijk gaan slapen.’

‘Je moet de mensen kleden zoals je ze herinnert’

Triiiiing! Om elf uur hoort Stef zijn gsm afgaan. Een belletje dat voor hem gelijkstaat aan werk, maar voor de mensen aan de andere kant betekent het dat ze afscheid hebben genomen van hun geliefde moeder. De euthanasie werd bij haar thuis zelf uitgevoerd in haar eigen bed. Met vijfendertig familieleden hebben ze gezamenlijk afscheid genomen. Vijfendertig keer kreeg ze haar laatste knuffel. Vijfendertig keer voelde ze voor de laatste keer een hand op haar gezicht. Vijfendertig keer heeft ze haar laatste woorden uitgesproken. Daarna legde ze haar neer en viel ze in een eeuwige slaap.

Een uur en veertig minuten later
Om tien voor één ’s nachts is de moeder van haar warm bed verhuisd naar een koele kist. Voordat Stef de moeder alleen laat en in zijn bed kan kruipen, kijkt hij na of ze er nog steeds goed bijligt. ‘Tijdens het vervoer geraakt het haar snel in de war. Je moet op alles letten en zien dat de moeder erbij ligt zoals de zussen er afscheid van hebben genomen. Exact hetzelfde.’

De moeder draagt een kleurrijke blouse met strepen op. Rond haar nek is een sjaal gewikkeld. Donkerblauw met witte spikkeltjes. Het was haar lievelingssjaal. ‘Vroeger gingen de mensen de kist in met hun chiqueste kleren aan. Dan droegen mannen vaak een kostuum met een das. ‘Maar droeg hij graag een das?’ ‘Neen, hij haatte dat.’ Je moet de mensen kleden zoals je ze herinnert. Als de persoon altijd een bril droeg dan zet je die ook een bril op. Zo houd je een mooi beeld na van je geliefde.’

‘Hun lichaam wassen en aankleden is het laatste wat je voor je geliefde kan doen’

Sneeuwwitje met urne
Een begrafenisondernemer beslist niet zelf op welke manier een overledene herdacht wordt. Het zijn de nabestaanden die beslissen. Elke stap wordt op voorhand besproken. Zelfs de vraag of een lichaam gewassen moet worden. De twee zussen wilden hun moeder graag zelf wassen. Hun nichtje is verpleegkundige en zij weet hoe je aan zoiets begint. Toch is het niet de standaard dat nabestaanden de overledene wassen. ‘Het is een gevoel. Sommigen hebben daar nood aan, omdat het een deel van de verwerking is. Hun lichaam wassen en aankleden is het laatste wat je voor je geliefde kan doen. Je moet doen waar jij je goed bij voelt. Niet iedereen wordt graag geconfronteerd met een dode. Het is ook zoals de laatste groet, mijn eigen opa wou ik niet zien als een lijk. Ik heb nu al duizend overleden mensen gezien en aangeraakt, maar mijn opa wou ik me zo niet herinneren.’

Achter een gordijn met zwarte en paarse bloemen op zie je de moeder opgebaard liggen zoals Sneeuwwitje. Alleen de zeven dwergen ontbreken. Ze ligt vredig in haar kist en lijkt te slapen. Ze wordt koel bewaard zodat ze niet zou beginnen stinken. Het geluid van het koelingssysteem is zo overheersend dat je je eigen gedachten niet meer hoort. In haar hand heeft ze een witte roos vast en aan haar knieën ligt nog een boeket.

Samen tot de dood
Stef staat naast de moeder haar kist terwijl hij vertelt over haar uitvaart van komende zaterdag. Hij woonde al honderden plechtigheden bij, maar toch blijft het een emotionele belevenis. ‘Ik zou het liefst mijn oren bedekken tijdens de afscheidsteksten. Soms vragen mijn klanten daarna ‘Wat vond je van mijn gedichtje?’ dan lach ik gewoon eens vriendelijk en zeg ik ‘Ja, heel mooi.’ En naar muziek luisteren is vragen om miserie. Liedjes spelen zo hard in op mijn gevoelens dat ik als begrafenisondernemer me er liever buiten hou en gewoon vanop een afstand naar de plechtigheid kijk.’

Stef kijkt naar de moeder. Voor hem is het gewoon een klant die daar ligt, voor de twee zussen is het hun dode moeder. Stef leunt tegen haar kist zoals je leunt tegen je winkelkar in een lange wachtrij van de supermarkt. Zijn vingers glijden zachtjes van de kist wanneer hij wijst naar een urne. Een zwarte urne versierd met gouden vogels die op haar kist in de rechterbovenhoek staat. ‘Haar man is een jaar geleden gestorven. Zijn urne bewaarde ze thuis, zodat hij dicht bij haar bleef en niet op een kerkhof alleen was. Nu gaan ze samen uitgestrooid worden.’

Tekst en foto: ©Femke De Schrijver