ColumnStoriesTekst

Groteva

Groteva en ik in Toscane, toen ik twee jaar oud was ©Dirk Van Evercooren

Groteva wordt kwaad wanneer hij zich iets niet meer goed herinnert. ‘Ja Sarah’, zegt hij dan, ‘Ik word toch wat oud he.’ Iemand van 98 jaar die zegt dat hij oud wordt. Hij is al oud, velen worden zelfs niet eens zo oud als hij. Hij woont in een serviceflat in Borgerhout waar hij nog altijd zelfstandig woont, maar wel om hulp kan vragen wanneer het nodig is. Hulp vragen, dat is toch iets waar veel grootouders niet goed in zijn. Hij zegt dan wel dat hij oud wordt maar hij kan vaak niet accepteren welke gevolgen dit heeft.

Groteva heeft niet zoveel levensvreugde meer. Het is niet dat hij ongelukkig is of het leven niet meer ziet zitten, dat heeft papa hem eens gevraagd, maar het is eerder zo dat hij aan het wachten is. Wachten tot het voorbij is. Toch heeft hij van die momenten waardoor hij begint te stralen. Wanneer hij over zijn vrouw praat bijvoorbeeld. Moeke heb ik nooit gekend, maar ze wordt altijd beschreven als een fantastische vrouw met een warme persoonlijkheid en zeer goede kookkunsten. Over haar en de vakanties die ze samen hadden kan groteva veel vertellen.

Drukwerk

Ook straalt hij wanneer hij over zijn vroeger werk praat. Hij heeft zijn hele leven in een drukkerij gewerkt. Sinds dat ik journalistiek ben beginnen studeren, is dit een soort band geworden tussen ons. Hij produceerde vroeger kranten en tijdschriften en ik leer om hiervoor te schrijven. Dan vraagt hij hoe dat nu allemaal gebeurt, zo’n kranten en tijdschriften lay-outen. Wanneer ik hem dan probeer uit te leggen dat alles via computerprogramma’s wordt gemaakt, wappert hij wat met zijn hand. ‘Daar snap ik toch niet veel van’, zegt hij dan, dus dan ga ik er ook niet over door.

Ik haalde eens trots het magazine boven waar ik tijdens mijn studie aan heb gewerkt. ‘Helemaal zelfgemaakt met twee vriendinnen’, zei ik dan tevreden. En groteva was onder de indruk, maar hij wees mij ook op de opmaakfoutjes. ‘Dat had ik zo niet gedaan, die alinea begint te laag. En daar staat de tekst iets te dicht op elkaar’, merkte hij op. Meestal kan ik heel slecht tegen commentaar, maar bij hem knikte ik. Hij had gelijk, mijn leerkrachten hadden hetzelfde gezegd. Het verbaasde me dat de regeltjes die in zijn tijd gelden nog altijd toepasselijk waren vandaag. Al was onze opmaak niet zo goed, heeft groteva toch heel het magazine doorbladerd. Elke keer dat hij een stuk van mij tegenkwam, bleef hij wat langer hangen om de inhoud te lezen. Glimlachend keek ik toe en vroeg of hij het interessant vond. ‘Jazeker’, zei hij dan. ‘Heb je dit echt allemaal zelf geschreven? Zoveel werk.’

Schots en scheef

Groteva en ik hebben zelfs tot in de kern iets gemeen. Hij heeft namelijk een kromming in zijn rug. Scoliose heet dat. En ik heb dat van hem gekregen natuurlijk. Hierdoor staan we allebei enorm scheef, maar bij mij valt dat minder op. Groteva daarentegen moest vroeger in zijn kostuums aan één kant schoudervulling laten steken, zodat zijn schouders even recht stonden. Ja, hij klaagt best vaak maar nooit over zijn rug, wel over heel banale dingen. Zoals het vlees dat te droog is in de cafetaria van de serviceflat. Of dat hij snel moe is en dingen vergeet. Ik zeg dan dat ik ook vaak moe ben en dingen vergeet, en dan moet hij toch even grinniken.

Vroeger stuurde groteva elk jaar een kaartje op wanneer ik jarig was. De boodschap die erin stond was nooit lang, maar wel altijd lief. Elk jaar begon ik breed te glimlachen toen ik zijn handschrift op de enveloppe herkende. Hij was de enige persoon die me nog consequent een kaartje stuurde via de slakkenpost. Begin dit jaar maakte hij bekend dat hij ermee ging stoppen. ‘Kaartjes sturen is te moeilijk’, gaf hij als excuus. Op mijn verjaardag was de postbus dan ook leeg. Ik vind het triest dat ik van deze traditie afscheid moet nemen, omdat het al een beetje voelt als een afscheid van hem.

Tekst: Sarah Van Evercooren